Een paar jaar geleden had niemand ervan gehoord: hoarding. In Nederland hebben we dat woord vertaald naar ‘verzamelstoornis’. Hoarding is inmiddels geduid als een psychiatrische aandoening waarbij het (blijvend) moeilijk is om bezittingen weg te gooien. Let wel: het gaat dan ook om bezittingen die – in de ogen van anderen – waardeloos zijn, zoals kapotte elastiekjes en een trui met gaten.

Afgelopen week hoorde ik het woord net wat te vaak. Het lijkt een modewoordje.

Een familielid dat geniet van het bezoeken van kringloopwinkels en (gericht) vintagedingetjes koopt, verzucht dat ze een hoarder is geworden.
Een cliënt die in tijdschriftencassettes herinneringen bewaart, zoals rouw- en trouwkaarten en folders van films en exposities die zij bezocht, verontschuldigt zich min of meer met: ‘het lijkt wel hoarding.’
Een andere cliënt die blij wordt van de winterkleding die we van de zolder halen en daarbij geregeld roept: ‘ben ik nou een hoarder?’

Een verzameling hebben en daar blij van worden? Heerlijk.
Je zegeningen tellen, bladerend door je herinneringen? Rijkdom.
Genieten van de kleding die je hebt, nieuwe combinaties maken en je leuk kleden? Tof.

Bij échte hoarding moet je denken aan plekken die je niet meer kunt gebruiken voor het doel ervan. Zoals een bank met zóveel spullen erop dat echt geen mens er meer op kan zitten. Of aan gevaarlijke situaties: tassen en dozen die opgestapeld voor deuren staan en daarmee de (nood)uitgang versperren.

Dus, niet gevreesd, niet alle bezit is verkeerd. Zolang je oprecht geniet van je spullen en je huis, zit het wel snor.😊

Lukt dat genieten bij jou thuis nou nét even niet en denk je dat je met wat meer ordening en structuur geholpen bent, bel of mail me dan gerust.